Ombudsman voor stadsnatuur
Al enkele jaren wordt er (inter)nationaal actief gezocht naar nieuwe vormen om de natuur te beschermen en deze een stem te geven, een meer actieve rol aan de onderhandelingstafels. Er zijn tal van belangengroepen wereldwijd opgericht en er wordt nadrukkelijk gekeken naar een juridische vertegenwoordiging. In die zoektocht, en dan ingezoomd op nationaal en regionaal niveau, vragen wij ons af of een ombudsman, als vertrouwd bekend instituut, een denkrichting en oplossing zou kunnen vormen naast de belangengroepen. In het onderstaande nemen we je mee in onze overwegingen.
Het idee van een ombudsman of ombudsvrouw voor de natuur lijkt op het eerste gezicht een paradox: een functionaris die optreedt namens iets dat geen stem heeft, geen kiesrecht, geen juridische persoonlijkheid, geen digitale toegang tot het klachtenformulier van de gemeente. Toch ligt in die paradox precies de kern van de uitdaging waarvoor wij staan. De natuur is overal aanwezig in de gemeente Groningen; in de singels, in de muren waar muurvaren zich hecht, in de oevers van het Reitdiep, in de kapotte stoeptegel waar madeliefjes omhoog komen. Maar in de bestuurlijke processen waarin over haar lot wordt beslist, blijft zij grotendeels afwezig. Zij is een onderwerp van analyse, soms van zorg, maar zelden een gesprekspartner.
Een ombudsman voor de stadsnatuur zou een poging zijn om die afwezigheid te doorbreken. Niet door de natuur formeel gelijke rechten te geven als mensen of organisaties, een stap waarvan nog niet duidelijk is of die juridisch of politiek haalbaar is, maar door een onafhankelijke vertegenwoordiging te creëren die in onze menselijke, bestuurlijke taal kan verwoorden wat op het spel staat: de gezondheid van ecosystemen, de leefbaarheid van onze stad, en het behoud van biodiversiteit voor toekomstige generaties. In zekere zin zou deze ombudsman kunnen functioneren als een vertaler tussen de logica van de natuurlijke systemen en de logica van het gemeentelijk handelen.
De ombudsman is in Nederland een vertrouwd en bekend instituut, al lange tijd een onafhankelijke toezichthouder die zorgt voor verantwoording binnen de overheid. Het is geen nieuwe rechtspersoon, maar een waarborg voor behoorlijk bestuur, die de overheid helpt haar handelen te toetsen zonder zelf deel uit te maken van het beleidsproces. De rol van bestaande ombudsinstituten in Nederland biedt een interessant perspectief. De ombudsman is in essentie een baken van behoorlijkheid: iemand die niet meebestuurt, niet meebeslist, maar toetst, bevraagt, onderzoekt, adviseert en aan de hand van normen en waarden beoordeelt of het overheidshandelen recht doet aan het doel dat het zelf zegt na te streven. In die traditie zou een ombudsman voor de natuur niet optreden als activist of beleidsmaker, maar als een kritisch, onafhankelijk geweten dat de gemeente helpt zich te houden aan haar eigen ambities en aan de zorgvuldigheid die de natuur vereist.
Het bijzondere aan een ombudsman voor de natuur is dat de 'klant' die bediend wordt, geen mens is die naar het loket stapt. De klacht komt via andere kanalen: een buurtbewoner die zich zorgen maakt over de kap van een rij oude lindes, een lokale natuurorganisatie die signalen krijgt dat het broedgebied van vleermuizen onder druk staat, een student die opmerkt dat bij een nieuwe bouwplaats wel heel ruim groen wordt geruimd. In die zin is de ombudsman voor de stadsnatuur geen spreekbuis voor individuele belangen, maar voor patronen. Niet de incidentele klacht is het hart van het werk, maar het zichtbaar maken van structurele verhoudingen: waaronze manier van bouwen, beheren en plannen telkens opnieuw wrijving veroorzaakt met kwetsbare ecologische systemen.
De vraag die voortdurend terugkeert, is welke normen zo'n ombudsman hanteert. De klassieke ombudsman toetst aan de beginselen van behoorlijk bestuur. Een ombudsman voor de natuur zou die beginselen moeten verbreden naar 'ecologische behoorlijkheid': zorgvuldigheid niet alleen in procedurele zin, maar ook in ecologische zin. Past een besluit binnen de draagkracht van het ecosysteem? Wordt de tijdshorizon van de natuur, die vaak langer is dan een collegeperiode, eerlijk meegewogen? Worden de aanbestedingscriteria voor ecologisch beheer werkelijk nageleefd? Wordt onzekerheid over schade erkend of weggewuifd? En: is er werkelijk nagedacht over alternatieven, of wordt het belang van natuur alleen formeel genoemd in de overwegingen?
In die rol kan de ombudsman niet neutraal zijn in de zin dat er geen waarden meespelen. De natuur is geen abstract juridisch object; het is een levend netwerk van soorten, processen en relaties. Wie pretendeert haar te vertegenwoordigen, moet erkennen dat daar een normatieve dimensie aan vastzit. Maar dat maakt de functie niet minder waardevol. Integendeel: binnen een gemeentelijk krachtenveld waarin economische, sociale en ruimtelijke belangen vaak luid en helder gearticuleerd worden, kan een onafhankelijke stem die expliciet het perspectief van ecosystemen verdedigt, een noodzakelijk evenwicht bieden.
Tegelijkertijd is de ombudsman geen bestuurder en geen procesbegeleider. De kracht van het instituut ligt juist in het vermogen om op enige afstand te staan: niet gevangen in de dagelijkse afwegingen van vergunningverlening, beheer en gebiedsontwikkeling, maar juist in staat te reflecteren op de vraag of het beleid van de gemeente als geheel coherent, toekomstbestendig en eerlijk is tegenover de natuurlijke systemen waar Groningen van afhankelijk is. Vanuit die afstand kan een jaarlijkse rapportage aan de raad niet alleen problemen signaleren, maar ook een cultuurverandering ondersteunen: de verschuiving van natuur als restpost naar natuur als medebewoner.
De ombudsman is uiteindelijk niet de hoeder van de natuur, maar van de relatie tussen gemeente en natuur. Het gaat hier niet om het romantisch verheffen van planten en dieren tot rechten dragende individuen, maar om het institutionaliseren van zorg en aandacht in een systeem dat daar historisch weinig ruimte voor laat. In die zin sluit de functie nauw aan bij het Groningse streven naar een eerlijker, groener en participatiever bestuur. De ombudsman biedt een duidelijk aanspreekpunt voor inwoners die zich bekommeren om hun leefomgeving, en maakt tegelijkertijd structurele patronen zichtbaar die in de hectiek van de uitvoering anders onder de radar blijven.
Een ombudsman voor de stadsnatuur is geen einddoel, maar een beginpunt. Het is een uitnodiging om anders te kijken naar de stad: niet als een verzameling functies met hier en daar wat groen, maar als een ecosysteem waarin menselijke en niet-menselijke levensvormen in voortdurende interactie met elkaar bestaan. In die blik krijgt de natuur niet alleen een stem, maar een plaats aan tafel, vertegenwoordigd door iemand die niet voor haar spreekt omdat zij zwijgt, maar omdat wij haar tot nu toe te vaak niet hebben willen horen.
